Het examen van 2026 kun je hier downloaden om te maken. Naast de aanpak en de uitwerkingen vind je op de volgende pagina’s ook steeds een korte opmerking over hoe ik deze opgave op het centraal examen heb nagekeken. Let er daarbij op dat er vaak een verschil zit tussen wat op een normale toets geaccepteerd wordt en wat op het centraal examen geaccepteerd wordt.
Bij wiskunde B heb je geleerd dat als je een raaklijn van bij opstelt je op zoek bent naar een functie waarvoor geldt dat . Soms is de benadering van een raaklijn niet goed genoeg. In die gevallen kunnen we ook een raakparabool maken. Zo’n parabool van de vorm kan de functie over een groter interval benaderen, omdat we dan
Voorbeeld: Bereken exact de formule van de raakparabool van bij .
Uitwerking:
Stel . Dan geldt en .
Uit krijgen we het stelsel .
We lossen de vergelijkingen van onder naar boven op. De onderste geeft . geeft geeft .
De raakparabool van is dus
Opdracht 1: Geef de raakparabool van bij .
Uitwerking:
Stel . Dan geldt en .
Uit krijgen we het stelsel .
We lossen de vergelijkingen van onder naar boven op. De onderste geeft . geeft geeft
De raakparabool van bij is .
Opdracht 2: Geef de raakparabool van bij .
Uitwerking:
Stel . Dan geldt en .
Uit krijgen we het stelsel
We lossen de vergelijkingen van onder naar boven op. De onderste geeft . geeft geeft .
Vorige les hebben we gezien hoe je twee wegpakspellen kunt combineren. In deze les gaan we naar combinaties van spellen op een schaakbord kijken.
Spel 5.1 We beginnen met een toren op veld h6 en 8 stenen naast het bord. Bij iedere zet mag je kiezen tussen een van de volgende zetten:
Je mag de toren een aantal vakjes naar keuze naar links zetten.
Je mag de toren een aantal vakjes naar keuze naar beneden zetten.
Je mag een stenen naar keuze wegpakken.
De speler die in diens beurt geen zet meer kan doen (omdat de toren op a1 staat en alle fiches weggepakt zijn), verliest het spel.
Opdracht 1: Vind de winnende strategie bij spel 5.1
Stap 1 van de oplossing:
We willen weer alle minposities weergeven. Een goede manier om dat te doen, is door op ieder veld van het schaakbord aan te geven hoeveel stenen er nog moeten zijn om een minpositie te hebben als de toren op dat veld staat. Als de toren op c1 staat, is er bijvoorbeeld een minpositie bij twee stenen op de stapel. Daarom staat er een 2 in vakje c1.
Oplossing afmaken:
Bij het invullen van het schaakbord kunnen we weer de MEX-regel (Minimal Excluded number) van afgelopen lessen gebruiken. Immers als een toren naar de getallen 0, 1, 2, 3 en 5 kan bewegen, is de positie met vier stenen verloren voor degene die aan de beurt is. Dit kunnen we zien door alle mogelijke zetten langs te lopen:
Mogelijkheid 1: De ander pakt stenen weg. Stel dat de ander stenen overhoudt. Dan kun jij de toren op het veld met het getal zetten.
Mogelijkheid 2: De ander zet de toren op een lager getal. Als de ander de toren op het veld met het getal 0, 1, 2 of 3 neerzet, kun jij stenen wegpakken, zodat het getal op het veld weer correspondeert met het aantal stenen.
Mogelijkheid 3: De ander zet de toren op een hoger getal. Als de ander de toren op een veld met een hoger getal zet, kun jij de toren weer terugzetten op een veld met het getal 4 (van een getal hoger dan 4 kun je door de MEX-regel immers altijd weer naar een 4 bewegen).
Als we de MEX-regel volgen, krijgen we de volgende posities die verloren zijn voor de startspeler (waarbij een 3 op een vakje betekent dat als de toren daar staat er drie stenen moeten zijn voor een minpositie).
De truc om te winnen, is door steeds naar een minpositie te gaan. Je begint dus om zes van de acht stenen weg te pakken (en er dus twee over te houden).
In de module “inductie en rijen” hebben we differentievergelijkingen opgelost. We hebben daarbij echter alle situaties met complexe getallen vermeden. In deze les gaan we naar de situaties kijken waarin we wel complexe getallen tegenkomen. Voor we daarmee starten, vind je op deze pagina 3 opgaven om de kennis op te halen die we in de module “inductie en rijen” geleerd hebben.
Opdracht 1: Stel de directe formule op van de rij met en .
Uitwerking:
Substitutie van geeft .
Delen door geeft
Dit geeft . Invullen van geeft De vergelijkingen optellen geeft en dus . Invullen van in geeft en dus .
De directe formule van is dus .
Opdracht 2: a) Stel de directe formule op van de rij met en . b) Van welke rij heb je nu een directe formule gevonden?
Uitwerking a:
Substitutie van geeft .
Delen door geeft
Dit geeft . Invullen van geeft De vergelijkingen aftrekken geeft en dus . Dit weer invullen in geeft .
De directe formule van is dus
Uitwerking b:
Dit is de rij van Fibonacci.
Opdracht 3: Stel de directe formule op van de rij met en .
Uitwerking:
Substitutie van geeft .
Delen door geeft
In de module “inductie en rijen” hebben we gezien dat de algemene oplossing dan van de vorm zijn.
Vorige les hebben je differentiaalvergelijkignen opgelost waarbij er in de vergelijking in iedere term voorkwam. We starten met hier nog vier van op te lossen:
Opdracht 1a: Vind alle functies die voldoen aan .
Uitwerking:
De oplossing is .
Opdracht 1b: Vind alle functies , zodat .
Uitwerking:
Je schrijft de rechterkant eerst om naar de vorm . Dat geeft in dit geval . Het antwoord is daarom , want de afgeleide van wat in de exponent staat, moet zijn.
Opdracht 1c: Vind alle functies , zodat .
Uitwerking:
Je herschrijft eerst de differentiaalvergelijking naar de vorm . Dat geeft en dus . De oplossingen daarvan zijn of netter .
Opdracht 1d: Vind alle functies die voldoen aan .
Uitwerking:
Substitueren van , en in geeft . Delen door geeft de vergelijking . Na ontbinden in factoren is dit en dus . In het algemeen is de oplossing dus .
Een differentiaalvergelijiking is een vergelijking die een verband aangeeft tussen een functie en zijn afgeleides. Voorbeelden van differentiaalvergelijkingen zijn:
Het doel van dit soort differentiaalvergelijkingen is altijd om alle functies te vinden die aan deze vergelijking voldoen. Vandaag ga je leren hoe je de drie type vragen die hierboven staan oplost.
In de vorige les hebben we het stappenplan geleerd wat je kunt gebruiken om derdegraads vergelijkingen op te lossen. Er zijn echter nog twee vaardigheden die we moeten leren om derdegraads vergelijkingen volledig op te kunnen lossen:
Oplossing wegdelen Derdegraads vergelijkingen hebben vaak drie oplossingen. Met de methode van les 2 hebben we echter maar één oplossing gevonden. Om de andere oplossingen te krijgen, moeten we een oplossing wegdelen. Dat is het eerste wat we vandaag gaan leren.
Derdegraads wortel herleiden In les 2 kwamen de derdegraads wortels mooi uit. Vaak gebeurt dat niet. Om de oplossing te krijgen, moeten we daarom simpeler schrijven. Hoe je dat kan doen, is het tweede wat we vandaag gaan leren.
Nadat we deze vaardigheden geleerd hebben, bekijken we nog hoeveel oplossingen een kwadratische en een derdegraads vergelijking kunnen hebben.
Hier kun je het tweede oefenexamen (2015 tijdvak I) downloaden. De bijbehorende uitwerkbijlage vind je hier. Hieronder vind je weer de linkjes naar de aanpakken en uitwerkingen van de individuele contexten:
Ongeveer een maand voor het eindexamen is bekend hoeveel punten iedere vraag waard is. Tijdvak I van 2026 heeft de volgende puntenverdeling:
Dit oefenexamen heb ik zo gemaakt dat hij vrijwel dezelfde puntenverdeling heeft als jullie echte eindexamen (alleen de punten van vraag 7 en 8 zijn omgedraaid). Dit examen is dus heel geschikt om een gevoel te krijgen van de lengte van jullie examen straks. Natuurlijk kunnen de onderwerpen wel totaal anders zijn. Mijn advies is om het examen in zijn geheel in 3 uur te maken en hem dan na te kijken met het nakijkvel. Voor uitgebreidere aanpakken/uitwerkingen kun je natuurlijk weer op de volgende pagina’s kijken.
De opdrachten vind je hier en het nakijkvel vind je hier. De uitgebreidere uitwerkingen met aanpak staan op de volgende pagina’s:
Hieronder vind je van alle examensommen een linkje naar de pagina waarop deze uitgewerkt worden. Examensommen waarop je niet kan klikken zijn nog niet verwerkt in mijn examentraining.