Dicht bij elkaar (aangepast)
De functies
en
worden gegeven door
en
.
In de figuur zijn de grafieken van
en
weergegeven. Voor steeds grotere waarden van
liggen de grafieken van
en
steeds dichter bij elkaar.

Opdracht 7: (2 punten)
Leg uit, zonder getallenvoorbeeld of gebruik van de grafische rekenmachine, waarom voor grote waarden van
de grafieken van
en
dicht bij elkaar liggen.
Achtergrond bij deze vraag:
Dit soort redeneervragen worden sinds een paar jaar op het HAVO wiskunde B-examen gevraagd. Die vragen zijn bijna altijd twee punten waard. Aangezien het VWO-examen dit jaar ook twee 2-puntsvragen heeft en de verschillende examens soms met wat vertraging type vragen van elkaar overnemen, leek het mij verstandig om deze HAVO-examenvraag toe te voegen.
Aanpak:
Bij dit soort redeneervragen begin je altijd met redeneren over een klein stukje van de functie. Vervolgens zoom je langzaam uit naar de hele functie. In dit geval zijn de stappen dus dat je iets zegt over:
Daarbij begin je met de aanname dat
heel groot is. Denk dan steeds wat je over het volgende stukje kan zeggen. Zo is
dan heel dicht bij nul. Probeer hierbij zo precies mogelijk te formuleren. Heel dicht bij nul is veel beter taalgebruik dan “heel klein” (want dat kan ook heel negatief betekenen).
Uitwerking met redeneren:
- Als
heel groot is, ligt
heel dicht bij nul.
Als
heel dicht bij nul ligt, ligt
ook heel dicht bij nul. - Doordat
heel dicht bij nul ligt, liggen
en
heel dicht bij elkaar.
Daar volgt uit dat
en
ook dicht bij elkaar liggen.
Uitwerking met limiet:

- Voor grote
geldt daarom: 
Voor grote
zitten
en
dus heel dicht bij elkaar.
Let op dat
. Je kunt daarom niet redeneren met deze limiet in je antwoord.
Opdracht 8: (3 punten)
Bereken voor welke waarden van
het verschil tussen
en
minder is dan
. Geef je eindantwoord in drie decimalen.
Aanpak:
Het verschil tussen
en
is de bovenste functie min de onderste functie. Dat geeft hier dus
.
Vervolens moeten we de ongelijkheid
oplossen. Bij zo’n ongelijkheid lossen we eerst de gelijkheid op (mag met de GR), maken we dan een schets (die is al voor ons gemaakt) en noteren we dan het eindantwoord. Over hoe je het eindantwoord noteert, was bij dit examen best wat te doen. Denk hier dus goed over na en vergelijk dan wat je opgeschreven hebt met de uitwerking.
Uitwerking:
(want
ligt boven
)
- We moeten
oplossen.
Voer in:
Optie snijpunt geeft
- Voor
(of
) is het verschil tussen
en
minder dan
.
Opmerking: Het scoremodel wil hier dat het antwoord zo gegeven is dat
niet in het interval zit (want daar is het verschil groter dan
) en
wel in het interval zit (want daar is het verschil kleiner dan
). Vandaar dat ze stellen dat
en
wel goed zijn, maar
en
niet. Ik ben het daar eigenlijk niet mee eens (persoonlijk vind ik dat je bij afronden het recht verliest om onderscheid te maken tussen
en
). Echter is mijn mening natuurlijk minder belangrijk dan die van het scoremodel. Onthoud deze afrondregel dus en doe het op het examen zoals het correctiemodel het wilt.
Opmerking 2: De goede antwoorden kun je natuurlijk ook noteren in de intervalnotatie als
of
.