Goniometrie (VWO 6 wis B)

Cirkels

Gegeven zijn de cirkels c_1 en c_2. Cirkel c_1 heeft straal \frac{1}{2} en middelpunt O. Het middelpunt van cirkel c_2 ligt op de positieve y-as. Cirkel c_1 ligt binnen cirkel c_2. Deze twee cirkels raken elkaar in het punt R(0,-\frac{1}{2}).
Zie de figuur.

Er zijn twee bewegende punten, P en Q. Punt P draait rond over cirkel c_1, punt Q draait rond over cirkel c_2. In de figuur zijn de posities van P en Q op een bepaald tijdstip weergegeven. Verder is gegeven:

  • Op t=0 bevinden de punten P en Q zich in R.
  • Beide punten bewegen tegen de wijzers van de klok in.
  • Beide punten bewegen met contstante snelheid.
  • De snelheid van P is gelijk aan de snelheid van Q.
  • Op t=12 bevindt punt Q zich, sinds t=0, voor het eerst weer in R.
  • Op t=12 heeft punt P precies vier maal c_1 doorlopen.

De y-coördinaat van punt Q wordt gegeven door een formule van de vorm:

y_Q=k+l\cdot \sin(m(t-n))

Opdracht 10: (6 punten)
Bereken waarden van k, l, m en n waarvoor deze formule in overeenstemming is met de gegevens.

Aanpak:

We hebben geleerd dat we de waarden van k, l, m en n als volgt berekenen:

  • Evenwichtsstand: k=\frac{\text{minimale y}+\text{maximale y}}{2}
  • Amplitude: l=\text{maximale y} - \text{evenwichtsstand}
  • m=\frac{2\pi}{\text{periode}}
  • n is een waarde van t waar die stijgend door de evenwichtsstand gaat.

De waarde van m is direct te berekenen, want we hebben de periode van de beweging van Q gegeven (die is 12). Verder zien we dat Q op t=0 op zijn laagste punt is. Na een kwart van de periode is Q dus op de evenwichtsstand. Hiermee kunnen we n berekenen.

Dan blijven de waarden van de evenwichtsstand en de amplitude nog over. Hiervoor moeten we dus weten wat de minimale en maximale y zijn die Q kan aannemen. De minimale waarde zit natuurlijk bij punt R waarvan we de coördinaten kunnen berekenen met behulp van cirkel c_1. Voor de maximale y-coördinaat op de cirkel kun je de formule \text{maximale y} = \text{minimale y} + \text{straal} gebruiken. Hiervoor moet je natuurlijk eerst weten wat de straal van c_2 is. Die kun je beredeneren uit het feit dat een rondje van Q vier keer zo lang duurt als een rondje van P, terwijl ze evensnel bewegen. Dit vertelt dat de omtrek van c_2 ook vier keer zo groot moet zijn als de omtrek van c_1 en daarmee ook de straal vier keer zo groot moet zijn.

Uit de minimale en maximale waarde haal je dan met de formules voor k en l de evenwichtsstand en amplitude. Je krijgt hier niet toevalligerwijs uit dat k het y-coördinaat van het middelpunt is en l de straal van c_2 (waarom zal dit zo zijn?). Als je dit direct beredeneert, kun je de antwoorden nog sneller opschrijven. Dat is de alternatieve oplossing.

Uitwerking met formule evenwichtsstand en amplitude:
  • m=\frac{2\pi}{\text{periode}}=\frac{2\pi}{12}=\frac{1}{6}\pi
  • Na een kwart periode gaat Q stijgend door de evenwichtsstand. Dat is bij t=3. Dus n=3.
  • Vier rondjes van P komt overeen met één rondje van Q. Daarom is de omtrek van c_2 vier keer zo groot als de omtrek van c_1.
  • De straal van c_2 is daarom ook vier keer zo groot als de straal van c_1. De straal van c_2 is dus r_2=4\cdot \frac{1}{2}=2.
  • y_R=0-r_1=-\frac{1}{2}
    De maximale y-waarde die Q kan aannemen, is -\frac{1}{2}+2\cdot r_2 = -\frac{1}{2}+2\cdot 2=3\frac{1}{2}.
  • k=\frac{-\frac{1}{2}+3\frac{1}{2}}{2}=1\frac{1}{2}
    l= 3\frac{1}{2}-1\frac{1}{2}=2
    Conclusie: k=1\frac{1}{2}, l=2, m=\frac{1}{6}\pi en n=3.

Uitwerking met inzicht wat k en l moet zijn:
  • m=\frac{2\pi}{\text{periode}}=\frac{2\pi}{12}=\frac{1}{6}\pi
  • Na een kwart periode gaat Q stijgend door de evenwichtsstand. Dat is bij t=3. Dus n=3.
  • Vier rondjes van P komt overeen met één rondje van Q. Daarom is de omtrek van c_2 vier keer zo groot als de omtrek van c_1.
  • De straal van c_2 is daarom ook vier keer zo groot als de straal van c_1. De straal van c_2 is dus r_2=4\cdot \frac{1}{2}=2. Dit geeft  l=2.
  • y_R=0-r_1=-\frac{1}{2}
    De y-coördinaat van middelpunt van c_2 is -\frac{1}{2}+2=1\frac{1}{2}. Dus k=1\frac{1}{2}.
    Conclusie: k=1\frac{1}{2}, l=2, m=\frac{1}{6}\pi en n=3.