Goniometrie (VWO 6 wis B)

Sinus en cosinus getransformeerd

De functie f wordt gegeven door f(x)=2\sin(x-\frac{1}{3}\pi).
Het lijnstuk AB verbindt de punten A(12\pi, 1) en B(16\pi, 1).
De grafiek van f snijdt dit lijnstuk in meerdere punten.

Opdracht 3: (4 punten)
Bereken exact de x-coördinaten van deze snijpunten.

Aanpak:

We moeten de snijpunten van f(x)=2\sin(x-\frac{1}{3}\pi) met y=1 berekenen op het interval [12\pi, 16\pi]. Dat doen we natuurlijk met de vergelijking 2\sin(x-\frac{1}{3}\pi)=1.

Uitwerking:
  • 2\sin(x-\frac{1}{3}\pi)=1
    \sin(x-\frac{1}{3}\pi)=\frac{1}{2}
  • x-\frac{1}{3}\pi= \frac{1}{6}\pi +k\cdot 2\pi\vee x-\frac{1}{3}\pi= \frac{5}{6}\pi +k\cdot 2\pi
  • x= \frac{1}{2}\pi +k\cdot 2\pi\vee x= 1\frac{1}{6}\pi +k\cdot 2\pi
  • Op het interval [12\pi, 16\pi] geeft dit x=12\frac{1}{2}\pi\vee x=13\frac{1}{6}\pi\vee x=14\frac{1}{2}\pi\vee x=15\frac{1}{6}\pi

De functie g wordt gegeven door g(x)=2\cos(x-\frac{3}{4}\pi)+2.
Voor elke waarde van a snijdt de verticale lijn met vergelijking x=a de grafieken van f en g elk in één punt. Het midden van deze twee punten ligt voor sommige waarden van a op de x-as. Op het domein [0, 2\pi] is dat voor twee waarden van a het geval. Zie figuur 1.

Opdracht 4: (3 punten)
Bereken voor welke twee waarden van a dit het geval is. Geef je eindantwoord in twee decimalen.

Aanpak:

Het midden van twee punten bereken je op dezelfde manier als je het gemiddelde van twee cijfers berekend. Namelijk met de formule \text{midden}=\frac{1}{2}(\text{waarde 1} + \text{waarde 2}). In dit geval willen we het midden van f(a) en g(a). Die krijgen we dus uit de formule \text{midden}=\frac{1}{2}(f(a)+g(a)).

Zodra je deze hebt ingevuld, moet je \text{midden}=0 oplossen. Dit mag je doen met de GR (en kan zelfs niet exact!). Er staat namelijk geen exact, algebraïsch of bewijs in de opgave.

Uitwerking:
  • \text{midden}=\frac{1}{2}(f(a)+g(a))
    \text{midden}=\frac{1}{2}(2\sin(a-\frac{1}{3}\pi)+2\cos(a-\frac{3}{4}\pi)+2)
  • Voer in: Y_1=\frac{1}{2}(2\sin(x-\frac{1}{3}\pi)+2\cos(x-\frac{3}{4}\pi)+2)
    Optie root geeft x=0{,}387\ldots\vee x=4{,}586\ldots
  • Afgerond op twee decimalen zijn de antwoorden: a\approx 0{,}39 en a\approx 4{,}59.

De functie h wordt gegeven door h(x)=f(x)+3\cdot g(x). In figuur 2 zijn de grafieken van f en h weergegeven.

Je kunt de grafiek van h laten ontstaan uit de grafiek van f door middel van meerdere translaties en één vermenigvuldiging ten opzichte van de x-as. Neem aan dat dit een vermenigvuldiging is met factor p. Daarbij geldt dat p>0.

Opdracht 5: (4 punten)
Bereken deze waarde van p. Geef je eindantwoord in twee decimalen.

Aanpak:

Het inzicht wat je voor deze vraag nodig hebt, is dat de vermenigvuldiging ten opzichte van de x-as de enige transformatie is die de amplitude van de grafiek veranderd. Als we de amplitude van h te weten kunnen komen, kunnen we dus p berekenen met p=\frac{\text{amplitude h}}{\text{amplitude f}}.

Om de amplitude van h te weten te komen, gebruiken we de formule \frac{\text{max}-\text{min}}{2} (of je kunt eerst de amplitude berekenen met \frac{\text{max}+\text{min}}{2} en dan amplitude =\text{max}-\text{evenwichtsstand} gebruiken). Hiervoor moeten we eerst weten wat de maximale en minimale waarde van h zijn. Er staat geen exact, algebraïsch of bewijs in de opdracht. We mogen dit dus met de GR bepalen. Hiervoor vullen we dus h(x)=f(x)+3\cdot g(x) in de GR in en gebruiken we optie maximum en optie minimum.

Uitwerking:
  • h(x)=f(x)+3\cdot g(x)=2\sin(x-\frac{1}{3}\pi)+3(2\cos(x-\frac{3}{4}\pi)+2)
    Voer in Y_1=2\sin(x-\frac{1}{3}\pi)+3(2\cos(x-\frac{3}{4}\pi)+2)
  • Optie maximum geeft x=2{,}421\ldots en y=13{,}948\ldots
    Optie minimum geeft x=5{,}562\ldots en y=-1{,}948\ldots
  • De evenwichtsstand is y=\frac{-1{,}948\ldots+13{,}948\ldots}{2}=6
    De amplitude is 13{,}948\ldots-6=7{,}948\ldots
  • De amplitude is \frac{7{,}948\ldots}{2}=3{,}974\ldots keer zo groot geworden. Afgerond op twee decimalen geldt dus p=3{,}97.