Goniometrie (VWO 6 wis B)

Wortel en sinus

De functies f en g worden gegeven door f(x)=\sqrt{x} en g(x)=\sqrt{x+\sin(x)}. In figuur 1 zijn de grafieken van f en g weergegeven.

De oorsprong O is een gemeenschappelijk punt van de twee grafieken. Verder snijden de grafieken elkaar achtereenvolgens in de punten S_1, S_2, S_3, \ldots.

In figuur 2 is een deel van figuur 1 rondom snijpunt S_2 vergroot weergegeven. In deze figuur zijn de raaklijnen in S_2 aan de grafiek van f en de grafiek van g gestippeld weergegeven.

De helling van de grafiek van f in S_2 is gelijk aan \frac{1}{2\sqrt{2\pi}}. De helling van de grafiek van g in S_2 is \frac{1}{\sqrt{2\pi}}, dus twee keer zo groot.

Als n een even getal is, geldt:
In de snijpunten S_n is de helling van de grafiek van g twee keer zo groot als de helling van de grafiek van f.

Opdracht 13: (7 punten)
Bewijs deze eigenschap.

Aanpak:

Als we de vraag goed lezen, zien we drie dingen die moeten gebeuren:

  1. We moeten de snijpunten S_n bepalen. De oplossingen zijn n\cdot \pi (dus \pi, 2\pi, 3\pi, 4\pi, 5\pi, 6\pi, etcetera). We zijn echter alleen geïnteresseerd in de even snijpunten. Die zijn dus 2\pi, 4\pi, 6\pi, etcetera. Voor deze oplossingen geldt dus k\cdot 2\pi.
  2. We moeten f(x) en g(x) differentiëren. Dit zien we uit het feit dat we hellingen van f en g moeten vergelijken.
  3. Tot slot moeten we onderzoeken of de helling van f twee keer zo groot is als de helling van g op de snijpunten die we in stap 1 berekend hebben. Hiervoor vullen we de gevonden x-waarden in de afgeleiden in.

Bij het invullen van stap 3 moeten we ook \sin(k\cdot 2\pi) en \cos(k\cdot 2\pi) berekenen. Hierbij moet je de observatie doen dat ongeacht wat de waarde van k is we altijd op het beginpunt zijn en dat dus \sin(x)=0 en \cos(x)=1 geldt.

Uitwerking:
  • f(x)=g(x) geeft \sqrt{x}=\sqrt{x+\sin(x)}
    Kwadrateren geeft x=x+\sin(x)
    \sin(x)=0
  • x=n\cdot \pi
  • Bij S_n hoort x=n\cdot \pi. Als n=2k even is, geldt dus voor S_{2k} dat x=2k\cdot \pi = k\cdot 2\pi.
  • f(x)=x^{\frac{1}{2} geeft f'(x)=\frac{1}{2}x^{-\frac{1}{2}}
    f'(x)=\frac{1}{2\sqrt{x}}
    f'(k\cdot 2\pi)=\frac{1}{2\sqrt{k\cdot 2\pi}}
  • g(x)=(x+\sin(x))^{\frac{1}{2} geeft g'(x)=\frac{1}{2}(x+\sin(x))^{-\frac{1}{2}} \cdot (1+\cos(x))
    g'(x)=\frac{1}{2\sqrt{x+\sin(x)}} \cdot (1+\cos(x))
    g'(k\cdot 2\pi)=\frac{1}{2\sqrt{1+k\cdot 2\pi+\sin(k\cdot 2\pi)}}\cdot (1+\cos(k\cdot 2\pi).
  • Aangezien \sin(k\cdot 2\pi)}=0 en \cos(k\cdot 2\pi)}=1 hebben we  g'(k\cdot 2\pi)=\frac{1}{2\sqrt{k\cdot 2\pi}}\cdot (1+1)
  • We zien nu dat g'(k\cdot 2\pi)=\frac{1}{2\sqrt{k\cdot 2\pi}}\cdot 2 = f'(k\cdot 2\pi)\cdot 2.
    Conclusie: de helling van de grafiek van g is inderdaad twee keer zo groot als de helling van de grafiek van f bij S_{2k}.