Vectoren (VWO 6 wis B)

Gelijke hoeken

Gegeven is de lijn k met vectorvoorstelling \begin{pmatrix}x\\y\end{pmatrix}=\begin{pmatrix}29\\4\end{pmatrix}+s\begin{pmatrix}5\\12\end{pmatrix} en lijn l met vectorvoorstelling \begin{pmatrix}x\\y\end{pmatrix}=\begin{pmatrix}0\\24\end{pmatrix}+t\begin{pmatrix}3\\4\end{pmatrix}.
De lijnen k en l snijden elkaar in een punt S.

Lijn m is een lijn met vectorvoorstelling \begin{pmatrix}x\\y\end{pmatrix}=\begin{pmatrix}0\\b\end{pmatrix}+u\begin{pmatrix}1\\a\end{pmatrix}.
De waarden van a en b kunnen zo worden gekozen dat m de scherpe hoek die de lijnen k en l met elkaar maken, in twee gelijke hoeken verdeelt.
In de figuur is deze situatie getekend.

In deze situatie geldt a=1\frac{3}{4}.

Opdracht 8: (4 punten)
Bewijs dit.

Opdracht 9: (5 punten)
Bereken exact de waarde van b.