Vectoren (VWO 6 wis B)

Twee lijnstukken met eindpunt P

Gegeven zijn de punten A(5,4) en B(8,5). Verder is een punt P(p,q) gegeven dat niet samenvalt met A of B.
In figuur 1 en 2 zijn voor twee posities van P de lijnstukken AP en BP getekend.

Punt P kan zo worden gekozen, dat P op de x-as ligt en AP en BP even lang zijn.

Opdracht 11: (3 punten)
Bereken exact de x-coördinaat van P waarbij dit het geval is.

Aanpak:

In de zin boven de opgave staat twee dingen:

  1. Het punt P ligt op de x-as. Daarom geldt P(p,0).
  2. Er staat dat AP en BP even lang moeten zijn. Dat betekent dat AP=BP moet gelden. In onze oplossing moeten we daarom eerst AP en BP uidrukken in p en vervolgens deze uitdrukkingen gelijkstellen. Uit deze vergelijking kunnen we dan de gevraagde waarde van p afleiden.

Uitwerking met AP=BP:
  • P(p,0)
    AP=\sqrt{(x_A-x_P)^2+(y_A-y_P)^2}=\sqrt{(5-p)^2+4^2}
    BP=\sqrt{(x_B-x_P)^2+(y_B-y_P)^2}=\sqrt{(8-p)^2+5^2}
    AP=BP geeft \sqrt{(5-p)^2+4^2}=\sqrt{(8-p)^2+5^2}
  • \sqrt{(5-p)^2+4^2}=\sqrt{(8-p)^2+5^2}
    25-10p+p^2+16=64-16p+p^2+25
  • 6p=48
    p=8
    Conclusie: Het x-coördinaat van P waarbij AP=BP is x_P=8.

Uitwerking met behulp van middelloodlijn AB:

Deze oplossing maakt gebruik van het feit dat alle punten P op de middelloodlijn van AB even ver van A als van B liggen. Het snijpunt van de middelloodlijn van AB met de x-as is dus het punt wat we zoeken.

  • Voor het midden M van AB geldt: M(6{,}5 ; 4{,}5)
    \overrightarrow{AB} = \begin{pmatrix}3\\1\end{pmatrix}
    Loodrecht hierop staat de vector \begin{pmatrix}1\\-3\end{pmatrix}.
    Een vectorvoorstelling van de middelloodlijn van AB is \begin{pmatrix}x\\y \end{pmatrix} = \begin{pmatrix}6{,}5\\ 4{,}5\end{pmatrix} + \lambda \begin{pmatrix}1\\ -3\end{pmatrix}
  • Voor het snijpunt van de middelloodlijn met de x-as geldt: 0=4{,}5-3\lambda
  • 3\lambda=4{,}5
    \lambda=1{,}5
    Dit weer invullen in x_P=6{,}5+\lambda\cdot 1 geeft:
    x_P=6{,}5+1{,}5\cdot 1=8
    Conclusie: Het x-coördinaat van P waarbij AP=BP is x_P=8.

Vector \overrightarrow{AP} wordt 90^{\circ} tegen de klok in om A gedraaid. Het resultaat is vector \overrightarrow{AC}.
Vector \overrightarrow{BP} wordt 90^{\circ} met de klok mee om B gedraaid. Het resultaat is vector \overrightarrow{BD}.
Punt M is het midden van lijnstuk CD.
In figuur 3 en 4 zijn voor twee posities van P de vectoren \overrightarrow{AP}, \overrightarrow{AC}, \overrightarrow{BP} en \overrightarrow{BD} weergegeven. Ook zijn het lijnstuk CD en punt M weergegeven.

De coördinaten van M zijn onafhankelijk van de positie van punt P.

Opdracht 12: (6 punten)
Bewijs dit.

Aanpak:

Dit is het type examenvraag waarin je alles wat boven de vraag staat één voor één moet berekenen (of in dit geval correcter: in p en q moet uitdrukken). Dat doe je meestal in de volgorde dat ze geïntroduceerd worden in de vraag. In dit geval bereken je dus achtereenvolgens:

  • \overrightarrow{AP}
  • \overrightarrow{AC}
  • \overrightarrow{BP}
  • \overrightarrow{BD}
  • De coördinaten van C en D (want lijnstuk CD wordt genoemd)
  • Punt M

Uitwerking:
  • \overrightarrow{AP}=\begin{pmatrix}p\\q\end{pmatrix} - \begin{pmatrix}5\\4\end{pmatrix} = \begin{pmatrix}p-5\\ q-4\end{pmatrix}
    \overrightarrow{AC}=\overrightarrow{AP_L}=\begin{pmatrix}-q+4\\p-5\end{pmatrix}
  • \overrightarrow{BP}=\begin{pmatrix}p\\q\end{pmatrix} - \begin{pmatrix}8\\5\end{pmatrix} = \begin{pmatrix}p-8\\ q-5\end{pmatrix}
  • \overrightarrow{BD}=\overrightarrow{BP_R}=\begin{pmatrix}q-5\\-p+8\end{pmatrix}
  • \overrightarrow{OC}=\overrightarrow{OA}+\overrightarrow{AC}=\begin{pmatrix}5\\4\end{pmatrix}+\begin{pmatrix}-q+4\\p-5\end{pmatrix}=\begin{pmatrix}-q+9\\p-1\end{pmatrix}
  • \overrightarrow{OD}=\overrightarrow{OB}+\overrightarrow{BD}=\begin{pmatrix}8\\5\end{pmatrix}+\begin{pmatrix}q-5\\-p+8\end{pmatrix}=\begin{pmatrix}q+3\\-p+13\end{pmatrix}
  • M=(\frac{1}{2}(x_C+x_D), \frac{1}{2}(y_C+y_D)) = (\frac{1}{2}(-q+9+q+3), \frac{1}{2}(p-1-p+13))
    M=(\frac{1}{2}(12),\frac{1}{2}(12))= (6,6)
    Conclusie: De positie van M hangt niet af van de positie van P.