Veelhoeken (VWO 6 wis B)

Op de diagonaal van een vierkant

Gegeven is een vierkant ABCD met zijde 2. Punt M is het midden van lijnstuk AB. Punt P ligt op diagonaal AC en valt niet samen met punt A of punt C. Zie de figuur.

P kan zo worden gekozen dat de lijnstukken DP en MP loodrecht op elkaar staan.

Opdracht 3: (6 punten)
Bereken exact de lengte van lijnstuk AP in deze situatie.

Aanpak:

Vrijwel altijd als een punt op een grafiek (of in dit geval een lijn) gegeven is waarvan je niet direct de coördinaten kunt berekenen, is de truc om het x-coördinaat van dat punt p te noemen en dan alles in het plaatje in p uit te drukken (te beginnen met het y-coördinaat van dat punt).

In dit geval helpt het daarvoor om het vierkant eerst op een assenstelsel te leggen met A(0,0), B(2,0) en C(2,2). De lijn AC wordt dan gewoon y=x en dan krijgen we dus P(p,p).

Vervolgens willen we dus genoeg in het plaatje in p uitdrukken totdat we een vergelijking krijgen waarmee we p kunnen berekenen. Als we iets hebben met een hoek van 90^{\circ} hebben we voor de vergelijking altijd in ieder geval de volgende vier opties:

  1. Oplossen van a_{MP}\cdot a_{DP}=-1
  2. Oplossen van \overrightarrow{MP}\cdot \overrightarrow{DP}=0
  3. Oplossen van MP^2+DP^2=DM^2
  4. Berekenen van het snijpunt van de cirkel met middellijn DM met AC (vermeld dat je de stelling van Thales gebruikt).

Uitwerking met richtingscoëfficiënten:
  • Laat A(0,0), B(2,0), C(2,2) en D(0,2) zijn.
    Dan is M(\frac{1}{2}(0+2), 0) = (1,0)
  • a_{AC}=\frac{2-0}{2-0}=1, dus AC is de lijn y=x
    P(p,p)
  • a_{MP}=\frac{p-0}{p-1}=\frac{p}{p-1}
    a_{DP}=\frac{p-2}{p-0}=\frac{p-2}{p}
  • Als DP en MP loodrecht op elkaar staan, geldt a_{MP}\cdot a_{DP}=-1. Dat geeft \frac{p}{p-1}\cdot \frac{p-2}{p}=-1
  • \frac{p^2-2p}{p^2-p}=-1
    p^2-2p=-p^2+p
    2p^2-3p=0
    (2p)(p-1\frac{1}{2})=0
    p=0\vee p=1\frac{1}{2}
    In de tekst staat dat P niet samenvalt met A. Dus p=1\frac{1}{2} en dus P(1\frac{1}{2},1\frac{1}{2})
  • Dus AP=\sqrt{(1\frac{1}{2})^2+1\frac{1}{2})^2}=\sqrt{4\frac{1}{2}} (of omgeschreven naar \frac{3}{2}\sqrt{2}).

Uitwerking met richtingsvectoren:
  • Laat A(0,0), B(2,0), C(2,2) en D(0,2) zijn.
    Dan is M(\frac{1}{2}(0+2), 0) = (1,0)
  • a_{AC}=\frac{2-0}{2-0}=1, dus AC is de lijn y=x.
    P(p,p)
  • \overrightarrow{MP}=\begin{pmatrix}p\\p\end{pmatrix}-\begin{pmatrix}1\\0\end{pmatrix}=\begin{pmatrix}p-1\\p\end{pmatrix}
    \overrightarrow{DP}=\begin{pmatrix}p\\p\end{pmatrix}-\begin{pmatrix}0\\2\end{pmatrix}=\begin{pmatrix}p\\p-2\end{pmatrix}
  • Als DP en MP loodrecht op elkaar staan, geldt \overrightarrow{MP}\cdot \overrightarrow{DP}=0. Dat geeft \begin{pmatrix}p-1\\p\end{pmatrix}\cdot \begin{pmatrix}p\\p-2\end{pmatrix}=0
  • (p-1)\cdot p+p\cdot (p-2)=0
    p^2-p+p^2-2p=0
    2p^2-3p=0
    (2p)(p-1\frac{1}{2})=0
    p=0\vee p=1\frac{1}{2}
    In de tekst staat dat P niet samenvalt met A. Dus p=1\frac{1}{2} en dus P(1\frac{1}{2},1\frac{1}{2})
  • Dus AP=\sqrt{(1\frac{1}{2})^2+1\frac{1}{2})^2}=\sqrt{4\frac{1}{2}} (of omgeschreven naar \frac{3}{2}\sqrt{2}).

Uitwerking met Pythagoras:
  • Laat A(0,0), B(2,0), C(2,2) en D(0,2) zijn.
    Dan is M(\frac{1}{2}(0+2), 0) = (1,0)
  • a_{AC}=\frac{2-0}{2-0}=1, dus AC is de lijn y=x.
    P(p,p)
  • MP=\sqrt{(p-1)^2+p^2}
    DP=\sqrt{p^2+(p-2)^2}
    DM=\sqrt{1^2+(0-2)^2}=\sqrt{5}
  • Als DP en MP loodrecht op elkaar staan, geldt de stelling van Pythagoras in \triangle DMP. Dat geeft MP^2+DP^2=DM^2
    (p-1)^2+p^2+p^2+(p-2)^2=5
  • p^2-2p+1+p^2+p^2+p^2-4p+4=5
    4p^2-6p=0
    (4p)(p-1\frac{1}{2})=0
    p=0\vee p=1\frac{1}{2}
    In de tekst staat dat P niet samenvalt met A. Dus p=1\frac{1}{2} en dus P(1\frac{1}{2},1\frac{1}{2})
  • Dus AP=\sqrt{(1\frac{1}{2})^2+1\frac{1}{2})^2}=\sqrt{4\frac{1}{2}} (of omgeschreven naar \frac{3}{2}\sqrt{2}).

Uitwerking met Thales:
  • Laat A(0,0), B(2,0), C(2,2) en D(0,2) zijn.
    Dan is M(\frac{1}{2}(0+2), 0) = (1,0)
  • a_{AC}=\frac{2-0}{2-0}=1, dus AC is de lijn y=x.
    P(p,p)
  • Het midden van DM is N(\frac{1}{2},1).
    MN=\sqrt{(1-\frac{1}{2})^2+1^2)=\sqrt{1\frac{1}{4}}
    De cirkel met middellijn DM is dus (x-\frac{1}{2})^2+(y-1)^2=1\frac{1}{4}
  • Als DP en MP loodrecht op elkaar staan, geldt volgens de stelling van Thales dat P op de cirkel met middellijn DM ligt. Dat geeft (p-\frac{1}{2})^2+(p-1)^2=1\frac{1}{4}
  • p^2-p+\frac{1}{4}+p^2-2p+1=1\frac{1}{4}
    2p^2-3p=0
    (2p)(p-1\frac{1}{2})=0
    p=0\vee p=1\frac{1}{2}
    In de tekst staat dat P niet samenvalt met A. Dus p=1\frac{1}{2} en dus P(1\frac{1}{2},1\frac{1}{2})
  • Dus AP=\sqrt{(1\frac{1}{2})^2+1\frac{1}{2})^2}=\sqrt{4\frac{1}{2}} (of omgeschreven naar \frac{3}{2}\sqrt{2}).