Driehoeken (HAVO 5 wis B)

Hoe lang is DE?

Gegeven is driehoek ABC met AB=11, BC=8 en AC=5.
Het punt D ligt op zijde AB, zo dat lijnstuk CD loodrecht op zijde AB staat.
Het punt E ligt op zijde AC, zo dat lijnstuk DE evenwijdig is met zijde BC.
Zie de figuur.

Opdracht 3: (6 punten)
Bereken algebraïsch de lengte van lijnstuk DE. Geef je eindantwoord in twee decimalen.

Aanpak:

Als er evenwijdige lijnen zijn in een figuur moet je meestal iets doen met gelijkvormigheid. Vanwege F-hoeken zijn er dan namelijk bijna altijd gelijkvomige driehoeken. Hier zijn dat \triangle ADE en \triangle ABC. Aangezien we alle zijdes van \triangle ABC al hebben, hoeven we maar één zijde in \triangle ADE te berekenen om met de gelijkvormigheid DE te berekenen.

De zijde AD lijkt hierbij de gemakkelijkste zijde om te berekenen in \triangle ADE, omdat die in een rechthoekige driehoek zit. De eenvoudigste manier om AD te berekenen, is om met de cosinusregel in \triangle ABC hoek \angle A te berekenen en dan kun je met SOS/CAS/TOA in driehoek \triangle ADC de lengte van AD berekenen. De manier hoe je hier op komt, is dat je altijd moet starten in de driehoek waarin je drie gegevens weet en moet toewerken naar de driehoek waarin je iets wilt berekenen. Aangezien \angle A zowel in de driehoek zit waarin je al drie dingen weet (\triangle ABC) als in de driehoek waarin je wilt berekenen (\triangle ADC of \angle ADE) start je daar.

Uitwerking met cosinusregel:
  • De cosinusregel in \triangle ABC geeft 8^2=5^2+11^2-2\cdot 5\cdot 11\cdot \cos(\angle A).
  • 64=25+121-110 \cos(\angle A)
    -82=-110\cos(\angle A)
    \cos(\angle A)=0{,}745\ldots
    \angle A =41{,}801\ldots^{\circ}
  • In \triangle ADC hebben we \cos(\angle A)=\frac{AD}{AC}.
  • \cos(41{,}801\ldots^{\circ})=\frac{AD}{5}
    AD=5\cos(41{,}801\ldots^{\circ})=3{,}727\ldots
  • Driehoeken \triangle ADE en \triangle ABC zijn gelijkvormig, want \angle A is in beide driehoeken dezelfde hoek en \angle ADE= \angle ABC vanwege F-hoeken.
  • Uit de gelijkvormigheid volgt \frac{DE}{AD}=\frac{BC}{AB}.
    Dit geeft DE=\frac{BC}{AB}\cdot AD=\frac{8}{11}\cdot 3{,}727\ldots = 2{,}7107\ldots
    Afgerond op twee decimalen is het antwoord dus DE\approx 2{,}71.

Uitwerking met twee keer Pythagoras:
  • StelAD=x. Dan is BD=11-x. Verder stellen we CD=y.
    Dan geeft Pythagoras in \triangle ACD: x^2+y^2=5^2.
  • Pythagoras in \triangle DBC geeft (11-x)^2+y^2=8^2.
  • Als we (11-x)^2+y^2=64 en x^2+y^2=25 van elkaar aftrekken, krijgen we (11-x)^2-x^2=39
  • 121-22x+x^2-x^2=39
    -22x=-82
    x=\frac{41}{11}
  • Driehoeken \triangle ADE en \triangle ABC zijn gelijkvormig, want \angle A is in beide driehoeken dezelfde hoek en \angle ADE= \angle ABC vanwege F-hoeken.
  • Uit de gelijkvormigheid volgt \frac{DE}{AD}=\frac{BC}{AB}.
    Dit geeft DE=\frac{BC}{AB}\cdot AD=\frac{8}{11}\cdot \frac{41}{11} = \frac{328}{121}
    Afgerond op twee decimalen is het antwoord dus DE\approx 2{,}71.

Uitwerking met cosinusregel (zonder gelijkvormigheid):
  • De cosinusregel in \triangle ABC geeft 8^2=5^2+11^2-2\cdot 5\cdot 11\cdot \cos(\angle A).
  • 64=25+121-110 \cos(\angle A)
    -82=-110\cos(\angle A)
    \cos(\angle A)=0{,}745\ldots
    \angle A =41{,}801\ldots^{\circ}
  • In \triangle ADC hebben we \cos(\angle A)=\frac{AD}{AC}.
  • \cos(41{,}801\ldots^{\circ})=\frac{AD}{5}
    AD=5\cos(41{,}801\ldots^{\circ})=3{,}727\ldots
  • De cosinusregel in \triangle ABC geeft 11^2=5^2+8^2-2\cdot 5\cdot 8\cdot \cos(\angle C).
    121=25+64-80\cos(\angle C)
    32=-80\cos(\angle C)
    \cos(\angle C)=-0{,}4
    \angle C = 113{,}578\ldots^{\circ}
    Vanwege F-hoeken geldt \angle AED=\angle ACB=113{,}578\ldots^{\circ}.
  • Met de sinusregel in \triangle ADE krijgen we \frac{DE}{\sin(\angle A)}=\frac{AD}{\sin(\angle AED)}
    Dit geeft DE=\frac{AD}{\sin(\angle AED)}\cdot \sin(\angle A)=\frac{3{,}727\ldots}{\sin(113{,}578\ldots^{\circ})}\cdot \sin(41{,}801\ldots^{\circ}) = 2{,}7107\ldots
    Afgerond op twee decimalen is het antwoord dus DE\approx 2{,}71.