Cirkels (Havo 5 wis B)

Cirkel tussen lijnen

De lijn l is gegeven door de vergelijking y=\frac{1}{2}x en de lijn m door de vergelijking y=-\frac{1}{2}x.
Verder is gegeven de cirkel c met middelpunt M(\sqrt{5}, 0) en straal 1. Lijn l raakt cirkel c. Zie figuur 1.

Opdracht 10: (5 punten)
Bewijs dat lijn l cirkel c raakt.

Aanpak:

Een manier om aan te tonen dat lijn l cirkel c raakt is door te bewijzen dat er maar één snijpunt is. Hiervoor moeten we eerst de formule van de cirkel c opstellen. Vervolgens kunnen we de lijn l hierin substitueren. Als de resterende vergelijking één oplossing heeft, is er schijnbaar één snijpunt.

Uitwerking:
  • De vergelijking van de cirkel is (x-\sqrt{5})^2+y^2=1.
  • \left.\begin{matrix}y=\frac{1}{2}x\\ (x-\sqrt{5})^2+y^2=1 \end{matrix}\right\} (x-\sqrt{5})^2+(\frac{1}{2}x)^2=1
  • x^2-2\sqrt{5}x+5+\frac{1}{4}x^2=1
    \frac{5}{4}x^2-2\sqrt{5}x+4=0
  • D=(-2\sqrt{5})^2-4\cdot \frac{5}{4}\cdot 4
  • D=0
    Dus de vergelijking heeft één oplossing en daarom raakt lijn l de cirkel c.

De verticale lijn n raakt cirkel c aan de rechterkant. Lijn n snijdt lijn m in punt A en lijn l in punt B. Samen met de oorsprong O vormen de punten A en B de driehoek OAB. Cirkel c past precies in deze driehoek.
Zie figuur 2.

Opdracht 11: (5 punten)
Onderzoek op algebraïsche wijze of de oppervlakte van driehoek OAB meer dan twee keer zo groot is als de oppervlakte van cirkel c.

Aanpak:

Het helpt weer om de vraag van boven naar beneden te lezen en gewoon alles te berekenen wat geïntroduceerd wordt. De stappen daarbij zijn dus:

  • Stel de formule op van lijn n (verticale raaklijn van de cirkel).
  • Bereken de coördinaten van punt A en B (snijpunt van lijnen)
  • Bereken de oppervlakte van driehoek \triangle ABO (met \text{Opp} = \pi r^2).
  • Bereken de oppervlakte van de cirkel (met \text{Opp} = \pi r^2)

Uitwerking:
  • Het x-coördinaat aan de rechterkant van de cirkel is \sqrt{5}+1.
    Dus n: x=\sqrt{5}+1=3{,}23\ldots
  • \left.\begin{matrix}y=\frac{1}{2}x\\ x=3{,}23\ldots\end{matrix}\right\} y=\frac{1}{2}\cdot 3{,}23 = 1{,}61\ldots
    \left.\begin{matrix}y=-\frac{1}{2}x\\ x=3{,}23\ldots\end{matrix}\right\} y=-\frac{1}{2}\cdot 3{,}23 = -1{,}61\ldots
    Dus A(3{,}23\ldots, -1{,}61\ldots} en B(3{,}23\ldots, 1{,}61\ldots}
  • AB = 1{,}61\ldots - - 1{,}61\ldots = 3{,}23\ldots
    \text{Opp}(\triangle ABO)=\frac{1}{2}\cdot 3{,}23\ldots 3{,}23 = 5{,}23\ldots
  • De oppervlakte van de cirkel is \pi \cdot 1^2 = \pi
  • Twee keer de oppervlakte van de cirkel is 2\pi = 6{,}28\ldots is meer dan de oppervlakte 5{,}23\ldots van de driehoek.
    De uitspraak is dus niet waar.