2015 tijdvak 1

Wortelfuncties

In de figuur zijn de grafieken getekend van de functies f en g gegeven door f(x)=\sqrt{x} en g(x)=\frac{1}{2}\sqrt{x}. Verder zijn de lijnen getekend met vergelijkingen x=a en x=4, met 0<a<4.

In figuur 1 zijn twee vlakdelen grijs gemaakt. Het ene grijze vlakdeel wordt begrensd door de grafieken van f en g en de lijn met vergelijking x=a. Het andere grijze vlakdeel wordt begrensd door de grafiek van g, de x-as en de lijnen met vergelijking x=a en x=4.

Opdracht 1: (6 punten)
Bereken exact voor welke waarden van a deze vlakdelen gelijke oppervlakte hebben.

Aanpak:

We moeten berekenen wanneer twee oppervlaktes gelijk zijn. De meest voor de hand liggende aanpak daarbij is:

  1. Druk de oppervlakte van het linker gebied (met behulp van een integraal) uit in a.
  2. Druk de oppervlakte van het rechter gebied uit in a.
  3. Stel deze oppervlaktes gelijk aan elkaar en los de vergelijking op.

Hierbij krijg je op het eind de vergelijking a^{\frac{3}{2}}=4. Let er daarbij op dat je niet een antwoord geeft als a=\sqrt[\frac{3}{2}]{4}. De wortel-notatie bestaat namelijk alleen met een positief geheel getal linksboven de wortel. De truc voor het oplossen van de vergelijking a^{\frac{3}{2}}=4 is daarom om eerst te kwadrateren en dan pas de derdemachtswortel te nemen.

Uitwerking met oppervlaktes gebieden gelijkstellen:
  • De oppervlakte van het linker gebied is I_{\text{links}}=\int_0^a (\sqrt{x}-\frac{1}{2}\sqrt{x})\text{dx}
  • I_{\text{links}}=\int_0^a \frac{1}{2}\sqrt{x}\text{dx}
    I_{\text{links}}=\int_0^a \frac{1}{2}x^{\frac{1}{2}}\text{dx}
    I_{\text{links}}=\left[\frac{1}{3}\cdot x^{\frac{3}{2}}\right]_0^a
    I_{\text{links}}=\frac{1}{3}a^{\frac{3}{2}}
  • De oppervlakte van het rechter gebied is I_{\text{rechts}}=\int_a^4 (\frac{1}{2}\sqrt{x})\text{dx}
  • I_{\text{rechts}}=\left[\frac{1}{3}\cdot x^{\frac{3}{2}}\right]_a^4
    I_{\text{rechts}}=\frac{1}{3}\cdot 4^{\frac{3}{2}} -\frac{1}{3}\cdot a^{\frac{3}{2}} = \frac{8}{3}-\frac{1}{3}a^{\frac{3}{2}}
  • I_{\text{links}}=I_{\text{rechts}} geeft \frac{1}{3}a^{\frac{3}{2}}= \frac{8}{3}-\frac{1}{3}a^{\frac{3}{2}}
    \frac{2}{3}a^{\frac{3}{2}}=\frac{8}{3}
    a^{\frac{3}{2}}=4
  • Kwadrateren geeft a^3=16
    a=\sqrt[3]{16}

Uitwerking met links is de helft van alles:
  • Aangezien f(x)=2\cdot g(x) is de oppervlakte onder g(x) gelijk aan de oppervlakte tussen g(x) en f(x).
  • De oppervlakte van 0 tot a onder g moet dus gelijk zijn aan de helft van de totale oppervlakte onder g t/m x=4.
    Er moet dus gelden: \displaystyle \int_0^a g(x) \text{dx} = \frac{1}{2} \int_0^4 g(x)\text{dx}
  • \displaystyle \int_0^a \frac{1}{2}x^{\frac{1}{2}} \text{dx} = \frac{1}{2} \int_0^4 \frac{1}{2}x^{\frac{1}{2}}\text{dx}
    \left[\frac{1}{3}\cdot x^{\frac{3}{2}}\right]_0^a=\frac{1}{2} \cdot \left[\frac{1}{3}\cdot x^{\frac{3}{2}}\right]_0^4
  • \frac{1}{3}a^{\frac{3}{2}}=\frac{1}{2}\cdot \frac{1}{3}\cdot 4^{\frac{3}{2}}
  • \frac{1}{3}a^{\frac{3}{2}}=\frac{8}{3}
    a^3{\frac{3}{2}}=4
  • Kwadrateren geeft a^3=16
    a=\sqrt[3]{16}

Gegeven is het punt A(2,0). Bij elk punt P op de grafiek van f kan het midden van lijnstuk AP worden bepaald. Dat midden noemen we M. Verder is de functie h gegeven door h(x)=\sqrt{\frac{1}{2}x-\frac{1}{2}}.
In figuur 2 zijn de grafieken van f en h getekend. Ook is voor een punt P het lijnstuk AP met midden M getekend.

Er geldt: voor elk punt P op de grafiek van f ligt het punt M op de grafiek van h.

Opdracht 2: (4 punten)
Bewijs dit.

Aanpak:

Als een punt op de grafiek gegeven is, is meestal de truc om het x-coördinaat van dat punt p te noemen. Je drukt dan vervolgens de rest van het plaatje te beginnen met het y-coördinaat van dat punt uit in p.

Hier is het punt dat gegeven is het punt P op de grafiek van f. We hebben dus P(p,f(p)). Het volgende wat we nodig lijken te hebben, zijn de coördinaten van M. Die drukken we dus ook in p uit met M(\frac{1}{2}(x_P+x_A), \frac{1}{2}(y_P+y_A)).

Vervolgens moeten we kijken of M op h(x) ligt. De eenvoudigste manier om dat te doen, is door het punt gewoon in h(x) in te vullen en te kijken of we de vergelijking die dit oplevert, kunnen omschrijven naar iets als 0=0. Als dat het geval is, klopt de vergelijking altijd en moet M op de grafiek van h(x) liggen.

Uitwerking met M invullen in h:
  • P(p,\sqrt{p})
  • M(\frac{1}{2}(x_P+x_A), \frac{1}{2}(y_P+y_A))
    M(\frac{1}{2}(p+2), \frac{1}{2}(\sqrt{p}+0))
    M(\frac{1}{2}p+1, \frac{1}{2}\sqrt{p})
  • M invullen in h(x) geeft \frac{1}{2}\sqrt{p}=\sqrt{\frac{1}{2}(\frac{1}{2}p+1)-\frac{1}{2}}
    \frac{1}{2}\sqrt{p} = \sqrt{\frac{1}{4}p+\frac{1}{2}-\frac{1}{2}}
  • \frac{1}{2}\sqrt{p}=\sqrt{\frac{1}4}p}
    \frac{1}{2}\sqrt{p}=\sqrt{\frac{1}{4}}\cdot \sqrt{p}
    \frac{1}{2}\sqrt{p}=\frac{1}{2}\sqrt{p}
    Deze vergelijking klopt voor iedere waarde van p\geq 0. Dus ligt M altijd op de grafiek van h.

Uitwerking met coördinaten M herschrijven tot lijn:
  • P(p,\sqrt{p})
  • M(\frac{1}{2}(x_P+x_A), \frac{1}{2}(y_P+y_A))
    M(\frac{1}{2}(p+2), \frac{1}{2}(\sqrt{p}+0))
    M(\frac{1}{2}p+1, \frac{1}{2}\sqrt{p})
  • x_M=\frac{1}{2}p+1
    \frac{1}{2}p=x_M-1
    p=2x_M-2
  • Dit weer invullen in y_M=\frac{1}{2}\sqrt{p} geeft
    y_M=\frac{1}{2}\sqrt{2x_M-2}
    y_M=\sqrt{\frac{1}{4}}\cdot \sqrt{2x_M-2}
    y_M=\sqrt{\frac{1}{4}(2x_M-2)}
    y_M=\sqrt{\frac{1}{2}x_M-\frac{1}{2}}
    Conclusie: Het punt M ligt altijd op y=\sqrt{\frac{1}{2}x-\frac{1}{2}}.