Cirkels (VWO 6 wis B)

Buiten een vierkant

Gegeven is het vierkant OABC met O(0,0), A(4,0) en C(0,4).
Het snijpunt van OB en AC is het punt S.
Het punt M(3, 2) is het middelpunt van een cirkel door A en B.
De punten F en G zijn de snijpunten van deze cirkel met CS respectievelijk OS. Zie figuur 1.

Er geldt: F is het midden van CS.

Opdracht 15: (5 punten)
Bewijs dat F inderdaad het midden is van CS.

Aanpak:

Er zijn twee manieren om tot het antwoord te komen. De eerste methode is om het snijpunt F te bepalen van de cirkel met lijn AC te bepalen. Hiervoor moeten we eerst de formule van de cirkel bepalen en de formule van de lijn. Nadat we het snijpunt hebben, kunnen we gewoon nagaan of het gevonden snijpunt ook het midden van CS is.

Een snellere methode is om het midden van CS te bepalen en te kijken of dat punt op de cirkel ligt. Als dat het geval is, weten we immers ook dat het snijpunt van CS met de cirkel het gegeven punt halverwege de lijn CS is.

Uitwerking met snijpunt cirkel en AC berekenen:
  • r=MA=\sqrt{(3-4)^2+(2-0)^2}=\sqrt{5}
    c: (x-3)^2+(y-2)^2=5
  • a_{AC} = \frac{4-0}{0-4}=-1
    \left.\begin{matrix}y=-x+b\\(0,4)\end{matrix}\right\} y=-x+4
  • \left.\begin{matrix}(x-3)^2+(y-2)^2=5\\y=-x+4\end{matrix}\right\} (x-3)^2+(-x+4-2)^2=5
  • x^2-6x+9+x^2-4x+4=5
    2x^2-10x+8=0
    x^2-5x+4=0
    (x-1)(x-4)=0
    x=1\vee x=4
  • \left.\begin{matrix}y=-x+4\\x_F=1\end{matrix}\right\} y=-1+4=3
    Dus F(1,3)
  • S is het midden van het vierkant. Dat is dus bij (2,2).
    Het midden van S en C is F=(\frac{0+2}{2},\frac{2+4}{2})=(1,3).
  • Het snijpunt F van de cirkel met CS is dus het midden van CS.

Uitwerking met nagaan of midden CS op cirkel ligt:
  • r=MA=\sqrt{(3-4)^2+(2-0)^2}=\sqrt{5}
    c: (x-3)^2+(y-2)^2=5
  • S is het midden van het vierkant. Dat is dus bij (2,2).
    F'=(\frac{0+2}{2},\frac{2+4}{2})=(1,3)
  • Invullen van punt F' in de cirkel geeft (1-3)^2+(3-2)^2=5.
  • Het midden van CS ligt op de cirkel.
  • Het snijpunt F van de cirkel met CS is dus het midden van CS.

Verder geldt: G is het midden van OS.
In figuur 2 zijn de cirkelsectoren BMF en GMA grijs gemaakt.

De oppervlakte van deze twee sectoren samen is gelijk aan de helft van de oppervlakte van de cirkel.

Opdracht 16: (3 punten)
Bewijs dit.

Aanpak:

We moeten bewijzen dat \angle BMF+\angle FMG = 180^{\circ}, want de oppervlakte van de segmenten zijn dan de helft van de cirkel. Het lastige is dat we deze hoeken exact moeten berekenen. Dat kan alleen bij hele specifieke hoeken. Op basis van het plaatje lijkt het dat \angle BMF=\angle AMG = 90^{\circ}. De truc van de opgave is om dit te gaan bewijzen. Dat kan op meerdere manieren:

  1. \angle BMF =90^{\circ} als a_{FM}\cdot a_{BM} = -1 (Uitwerking)
  2. \angle BMF =90^{\circ} als \overrightarrow{MF}\cdot\overrightarrow{MB}=0 (Alternatieve uitwerking)
  3. \angle BMF =90^{\circ} als  BM^2+FM^2=BF^2

Uitwerking met richtingscoëfficiënten
  • De richtingscoëfficiënt van FM is a_{FM}=\frac{3-2}{1-3}=-\frac{1}{2}.
    De richtingscoëfficiënt van BM is a_{BM}=\frac{4-2}{4-3}=2.
    Er geldt a_{FM}\cdot a_{BM} = -\frac{1}{2}\cdot 2 = -1.
    De lijnen FM en BM staan loodrecht op elkaar. Er geldt dus \angle BMF = 90^{\circ}
  • De richtingscoëfficiënt van GM is a_{GM}=\frac{1-2}{1-3}=\frac{1}{2}.
    De richtingscoëfficiënt van AM is a_{AM}=\frac{0-2}{4-3}=-2.
    Er geldt a_{GM}\cdot a_{AM} = \frac{1}{2}\cdot -2 = -1.
    De lijnen GM en AM staan loodrecht op elkaar. Er geldt dus \angle AMG = 90^{\circ}
  • We hebben \angle BMF+\angle AMG = 90^{\circ}+90^{\circ}=180^{\circ}
    De oppervlakte van de twee sectoren samen is dus \frac{180}{360}=\frac{1}{2} van de cirkel.

Uitwerking met richtingsvectoren
  • \overrightarrow{MF}\cdot\overrightarrow{MB} = \begin{pmatrix}-2\\1\end{pmatrix}\cdot \begin{pmatrix}1\\2\end{pmatrix}=0
    Dus \angle BMF = 90^{\circ}
  • \overrightarrow{MG}\cdot\overrightarrow{MA} = \begin{pmatrix}-2\\-1\end{pmatrix}\cdot \begin{pmatrix}1\\-2\end{pmatrix}=0
    Dus \angle AMG = 90^{\circ}
  • We hebben \angle BMF+\angle AMG = 90^{\circ}+90^{\circ}=180^{\circ}
    De oppervlakte van de twee sectoren samen is dus \frac{180}{360}=\frac{1}{2} van de cirkel.

Uitwerking met cosinusregel (beetje omslachtig)
  • BM = \sqrt{(x_B-x_M)^2+(y_B-y_M)^2}=\sqrt{(4-3)^2+(4-2)^2}=\sqrt{5}
    F(1,3), want het is het midden van C(0,4) en S(2,2).
    FM = \sqrt{(x_F-x_M)^2+(y_F-y_M)^2}=\sqrt{(1-3)^2+(3-2)^2}=\sqrt{5}
    FB= \sqrt{(x_F-x_B)^2+(y_F-y_B)^2}=\sqrt{(1-4)^2+(3-4)^2}=\sqrt{10}
    De cosinusregel geeft dan BF^2=BM^2+FM^2-2\cdot BM\cdot FM \cos(\angle BMF)
    10=5+5-2\cdot \sqrt{5}\cdot\sqrt{5}\cdot \cos(\angle BMF)
    10=10-10\cos(\angle BMF)
    0=-10\cos(\angle BMF)
    \cos(\angle BMF)=0
    \angle BMF=90^{\circ}.
  • AM = \sqrt{(x_A-x_M)^2+(y_A-y_M)^2}=\sqrt{(4-3)^2+(0-2)^2}=\sqrt{5}
    G(1,1), want het is het midden van O(0,0) en S(2,2).
    GM = \sqrt{(x_G-x_M)^2+(y_G-y_M)^2}=\sqrt{(1-3)^2+(1-2)^2}=\sqrt{5}
    GA= \sqrt{(x_G-x_A)^2+(y_G-y_A)^2}=\sqrt{(1-4)^2+(1-0)^2}=\sqrt{10}
    De cosinusregel geeft dan AG^2=AM^2+GM^2-2\cdot AM\cdot GM \cos(\angle AMG)
    10=5+5-2\cdot \sqrt{5}\cdot\sqrt{5}\cdot \cos(\angle AMG)
    10=10-10\cos(\angle AMG)
    0=-10\cos(\angle AMG)
    \cos(\angle AMG)=0
    \angle AMG=90^{\circ}.
  • We hebben \angle BMF+\angle AMG = 90^{\circ}+90^{\circ}=180^{\circ}
    De oppervlakte van de twee sectoren samen is dus \frac{180}{360}=\frac{1}{2} van de cirkel.