Cirkels (VWO 6 wis B)

Cirkels in een cirkel

Gegeven is de cirkel c_1 met middelpunt M en straal 3.
Verder zijn gegeven de cirkels c_2, c_3 en c_4, zó dat geldt:

  • Cirkels c_2, c_3 en c_4 raken cirkel c_1.
  • Cirkel c_2 heeft middelpunt N en straal 2.
  • Cirkel c_3 heeft middelpunt P en straal r.
  • Cirkel c_4 heeft middelpunt Q en straal r.
  • Cirkel c_3 en c_4 raken elkaar in punt S.
  • Cirkels c_3 en c_4 raken c_2.

Zie de figuur.

Er geldt: MS=\sqrt{9-6r}

Opdracht 6: (3 punten)
Bewijs dit.

Aanpak:

We moeten iets met de zijde MS. Dat betekent dat we een driehoek nodig hebben waar deze zijde in voorkomt. Een natuurlijke manier om dat te doen, is door de driehoek \triangle MQS te tekenen. Hierbij is al gegeven dat QS=r. Om MS te berekenen, moeten we dan nog de lengte van MQ uitdrukken in r. Aangezien M en Q echter de middelpunten van rakende cirkels zijn, kunnen we dit gewoon doen door het verschil van de stralen te nemen. Er geldt dus MQ=3-r.

Tot slot lijkt in het plaatje \angle MSQ=90^{\circ}. Dit mag je van de examenmakers aannemen. De reden dat het waar is, is omdat zowel M en S even ver van P als Q liggen. Je hebt geleerd dat de punten die even ver van P als [/latex]Q[/latex] de middelloodlijn vormen en dus is \angle MSQ=90^{\circ}.

Als je eenmaal weet (of aanneemt) dat \angle MSQ=90^{\circ} kun je met de stelling van Pythagoras in driehoek \triangle MSQ de zijde MS uitdrukken in r

Uitwerking:
  • QS[latex]r
    MQ=3-r (afstand tussen middelpunt is verschil in stralen)
  • Er geldt \angle MSQ=90^{\circ} (je verliest geen punten als je geen toelichting geeft. De reden dat dit waar is, is omdat M en S beide even ver van P als Q liggen. De lijn MS is daarom de middelloodlijn van PQ).
    De stelling van Pythagoras in \triangle MQS geeft MS^2=(3-r)^2-r^2
  • MS^2=9-6r+r^2-r^2
    MS^2=9-6r
    MS=\sqrt{9-6r}

Er geldt verder dan MN=1.

Opdracht 7: (6 punten)
Bereken exact de waarde van r.

Aanpak:

In de vorige opdracht moesten we bewijzen dat MS=\sqrt{9-6r}. Daarnaast staat boven de opdracht dat MN=1. Deze twee gegevens zullen we voor deze opdracht nodig hebben en de natuurlijke manier om die te combineren, is door te zeggen dat NS=MS+MN=\sqrt{9-6r}+1.

Daarnaast is de standaardtruc bij cirkels om de middelpunten te verbinden en te gebruiken dat de afstand gelijk is aan de som van de stralen (of het verschil van de stralen). Vaak kun je dan iets met deze lengtes met de stelling van Pythagoras. Dat was de truc in opdracht 6 en eigenlijk moeten we hier weer hetzelfde doen. We doen dat echter nu in \triangle NQS, omdat we nu iets willen met de zijde NS.

In \triangle NQS weten we naast NS=\sqrt{9-6r}+1 ook QS=r en hebben we NQ=2+r (de afstand tussen twee middelpunten is de som van de twee stralen). Met de stelling van Pythagoras krijgen we dus een vergelijking die we kunnen oplossen. Dat doe je door eerst haakjes uit te werken. Vervolgens wil je bij een wortelvergelijking de wortel eerst isoleren en dan kwadrateren. Dit levert je uiteindelijk een waarde van r op.

Uitwerking:
  • NQ=2+r (de som van de stralen)
  • NS=MS+MN=\sqrt{9-6r}+1
  • De stelling van Pythagoras in \triangle NQS geeft (\sqrt{9-6r}+1)^2=(2+r)^2-r^2.
  • 9-6r+2\sqrt{9-6r}+1=4+4r+r^2-r^2
    2\sqrt{9-6r}=10r-6
    \sqrt{9-6r}=5r-3
  • Kwadrateren geeft 9-6r=25r^2-30r+9
    25r^2-24r=0
  • r(25r-24)=0
    r=0 voldoet niet, dus 25r=24
    r=\frac{24}{25}