Meetkundige bewijzen

Puzzel 3: (Wiskunde Olympiade Finale 2019 – versie klas 4):
Op een cirkel met middelpunt M liggen punten A, B en C. Het spiegelbeeld van M in de lijn AB ligt binnen driehoek ABC en is het snijpunt van de bissectrices van hoek A en hoek B. (De bissectrice van een hoek is de lijn die de hoek in twee gelijke hoeken deelt.)
Bepaal de grootte van hoek C.

Stap 1: Mijn oplosproces aan de hand van het maken van een plaatje

Bij het tekenen van een plaatje begin ik met het tekenen van een cirkel. Daarna merk ik bij mijn eerste poging dat ik niet willekeurig wat punten A, B en C op de cirkel te zetten, omdat het spiegelbeeld van M in AB meestal niet samenvalt met de bissectrices van hoek A en B. Daarom begin ik met het tekenen van M, A, B en het spiegelbeeld van M in AB wat ik in mijn tekening D noem.

Aangezien D het spiegelbeeld van M in AB is, staan DM en AB loodrecht op elkaar. Het snijpunt noem ik E. Doordat het een spiegelbeeld is, is AM=AD en BM=BD. Aangezien AM en BM de straal van de cirkel zijn, zijn deze zijden bovendien gelijk aan elkaar.

Qua hoeken geldt \angle MAB=\angle MBA=\alpha, omdat \triangle ABM gelijkbenig is. Aangezien \Delta ABD het spiegelbeeld is van \Delta ABM geldt ook dat \angle DAB=\angle MAB = \alpha en \angle DBA = \angle MBA = \alpha.

Vanwege het spiegelen geldt ook \angle AMD=\angle ADM en \angle BMD=\angle BDM. Met bijvoorbeeld Z-hoeken (in een ruit zijn overstaande zijden evenwijdig) zien we dat deze hoeken ook gelijk zijn elkaar. In het onderstaande plaatje zijn al deze gelijke hoeken aangegeven.

Nu ik alles rond deze punten aangegeven heb, voeg ik het punt C toe. Daarbij weten we dat AD de bissectrice is van \angle CAE. Daarom geldt \angle CAD = \angle DAE = \alpha. Aan de andere kant geldt, omdat BD de bissectrice is van \angle ABC dat \angle DBC = \angle DBA = \alpha. We zien nu dat zowel \angle CAB=\angle CBA = 2\alpha. Driehoek ABC is dus gelijkbenig en we hebben AC=BC.

Aangezien C op de cirkel ligt, willen we die ook graag met het middelpunt verbinden (want AM=BM=CM is de straal). Daarbij zien we dat, omdat AC=BC, AD=BD en AM=BM alle drie de punten C, D en M op de middelloodlijn van AB liggen. In het bijzonder liggen deze punten dus op één lijn.

We zien dat vanwege AM=CM (straal) en BM=CM dat driehoeken \triangle AMC en \triangle BMC gelijkbenig zijn. Hieruit volgt \angle ACM=\angle MAC = 3\alpha en \angle BCM = \angle CBM = 3\alpha.

Ik zie nu dat de hoeken in driehoek \triangle ABC optellen tot 2\alpha+6\alpha+2\alpha = 10\alpha. We hebben daarom dat 10\alpha = 180^{\circ}. Dit geeft \alpha = 18^{\circ} en dus angle ACB = 6\alpha = 6\cdot 18^{\circ}=108^{\circ}.