Aantal oplossingen
Tot slot bekijken we deze les naar het aantal oplossingen van derdegraads vergelijkingen. Hierbij kijken we eerst naar hoeveel oplossingen een kwadratische vergelijking kan hebben.
Opdracht 7:
a) Geef een kwadratische vergelijking met 2 reële oplossingen.
b) Geef een kwadratische vergelijking met 1 reële oplossing.
C) Geef een kwadratische vergelijking met 0 reële oplossingen.
Uitwerking a:
Iedere vergelijking van het type
met
en
verschillend heeft twee oplossingen. Neem bijvoorbeeld
,
en
geeft
wat na haakjes uitwerken
geeft.
Uitwerking b:
Iedere vergelijking van het type
heeft één oplossing. Een voorbeeld voor
en
is
.
Uitwerking c:
Bijvoorbeeld
heeft geen reële oplossingen.
In de volgende opgave ga je uitzoeken hoeveel oplossingen een derdegraads vergelijking kan hebben.
Opdracht 8:
a) Geef een derdegraadsvergelijking met 3 reële oplossingen.
b) Bestaat er een derdegraadsvergelijking met 2 reële oplossingen? Zo ja: geef een voorbeeld. Zo nee: leg uit waarom die niet kan bestaan.
c) Bestaat er een derdegraadsvergelijking met 1 reële oplossing? Zo ja: geef een voorbeeld. Zo nee: leg uit waarom die niet kan bestaan.
d) Bestaat er een derdegraadsvergelijking met 0 reële oplossingen? Zo ja: geef een voorbeeld. Zo nee: leg uit waarom die niet kan bestaan.
Uitwerking 8a:
Bijvoorbeeld
heeft drie oplossingen (namelijk
). Na haakjes uitwerken wordt dit
.
Uitwerking 8b:
De vergelijking
heeft twee oplossingen. Namelijk
. Met haakjes uitwerken is dit
.
Uitwerking 8c:
De vergelijking
heeft alleen
als oplossing.
Uitwerking 8d:
Zo’n vergelijking bestaat niet. Het probleem is dat de functie
voor zeer negatieve
onder de
-as zal liggen. Voor zeer grote getallen
zal
juist boven de
-as liggen. Aangezien
geen asymptoten of perforaties heeft, moet die ergens tussen deze punten de
-as een keer passeren.
In het kader op pagina 11 van het boek “An imaginary tale” wordt beargumenteert waarom
met
en
altijd één snijpunt met de
-as hebben. Het argument is feitelijk net niet helemaal compleet.
Opdracht 9:
a) Geef een volledig argument waarom
altijd precies één oplossing heeft.
b) Leg uit wat er nog mist in het arument van het boek op pagina 11.
Uitwerking 9a:
- Bekijk
.
Dan geldt
. Er geldt dat
, omdat
en
. De functie
stijgt dus overal. - Daarnaast geldt
. Bij
zit
dus onder de
-as. - Er geldt
. Dus bij
zit
boven de
-as. - Aangezien de grafiek overal stijgt (en er geen asymptoten zijn), weten we dat er hooguit één snijpunt met de
-as kan zijn. Aangezien er bovendien zowel een punt onder de
-as op de grafiek van
zit als een punt boven de
-as, moet er ook een punt tussen zitten die op de
-as zit. De vergelijking
heeft daardoor precies één oplossing.
Uitwerking 9b:
Een stijgende grafiek kan ook stijgen naar een asymptoot, zoals de figuur in de onderstaande afbeelding.

Om zeker te weten dat de grafiek de
-as snijdt, hebben we op
dus zowel een punt onder de
-as als boven de
-as nodig. Dat tweede ontbreekt in het boek.