Les 3: Wortels en functies delen

Aantal oplossingen

Tot slot bekijken we deze les naar het aantal oplossingen van derdegraads vergelijkingen. Hierbij kijken we eerst naar hoeveel oplossingen een kwadratische vergelijking kan hebben.

Opdracht 7:
a) Geef een kwadratische vergelijking met 2 reële oplossingen.
b) Geef een kwadratische vergelijking met 1 reële oplossing.
C) Geef een kwadratische vergelijking met 0 reële oplossingen.

Uitwerking a:

Iedere vergelijking van het type a(x-b)(x-c)=0 met b en c verschillend heeft twee oplossingen. Neem bijvoorbeeld a=1, b=0 en c=2 geeft x(x-2)=0 wat na haakjes uitwerken x^2-2x=0 geeft.

Uitwerking b:

Iedere vergelijking van het type a(x-b)^2=0 heeft één oplossing. Een voorbeeld voor a=1 en b=0 is x^2=0.

Uitwerking c:

Bijvoorbeeld x^2+2=0 heeft geen reële oplossingen.

In de volgende opgave ga je uitzoeken hoeveel oplossingen een derdegraads vergelijking kan hebben.

Opdracht 8:
a) Geef een derdegraadsvergelijking met 3 reële oplossingen.
b) Bestaat er een derdegraadsvergelijking met 2 reële oplossingen? Zo ja: geef een voorbeeld. Zo nee: leg uit waarom die niet kan bestaan.
c) Bestaat er een derdegraadsvergelijking met 1 reële oplossing? Zo ja: geef een voorbeeld. Zo nee: leg uit waarom die niet kan bestaan.
d) Bestaat er een derdegraadsvergelijking met 0 reële oplossingen? Zo ja: geef een voorbeeld. Zo nee: leg uit waarom die niet kan bestaan.

Uitwerking 8a:

Bijvoorbeeld x(x+1)(x+2)=0 heeft drie oplossingen (namelijk x=0\vee x=-1\vee x=-2). Na haakjes uitwerken wordt dit x^3+3x^2+2x=0.

Uitwerking 8b:

De vergelijking x^2(x-1)=0 heeft twee oplossingen. Namelijk x=0\vee x=1. Met haakjes uitwerken is dit x^3-x^2=0.

Uitwerking 8c:

De vergelijking x^3=0 heeft alleen x=0 als oplossing.

Uitwerking 8d:

Zo’n vergelijking bestaat niet. Het probleem is dat de functie f(x)=x^3+ax^2+bx+c voor zeer negatieve x onder de x-as zal liggen. Voor zeer grote getallen x zal f(x)=x^3+ax^2+bx+c juist boven de x-as liggen. Aangezien f geen asymptoten of perforaties heeft, moet die ergens tussen deze punten de x-as een keer passeren.

In het kader op pagina 11 van het boek “An imaginary tale” wordt beargumenteert waarom f(x)=x^3+px-q met p>0 en q>0 altijd één snijpunt met de x-as hebben. Het argument is feitelijk net niet helemaal compleet.

Opdracht 9:
a) Geef een volledig argument waarom x^3+px-q=0 altijd precies één oplossing heeft.
b) Leg uit wat er nog mist in het arument van het boek op pagina 11.

Uitwerking 9a:
  • Bekijk f(x)=x^3+px+q.
    Dan geldt f'(x)=3x^2+p. Er geldt dat f'(x)>0, omdat 3x^2>0 en p>0. De functie f stijgt dus overal.
  • Daarnaast geldt f(0)=-q<0. Bij x=0 zit f dus onder de x-as.
  • Er geldt f(\sqrt[3]{q})=q+p\sqrt[3]{q}-q=p\sqrt[3]{q}>0. Dus bij x=\sqrt[3]{q} zit f boven de x-as.
  • Aangezien de grafiek overal stijgt (en er geen asymptoten zijn), weten we dat er hooguit één snijpunt met de x-as kan zijn. Aangezien er bovendien zowel een punt onder de x-as op de grafiek van f zit als een punt boven de x-as, moet er ook een punt tussen zitten die op de x-as zit. De vergelijking f(x)=0 heeft daardoor precies één oplossing.

Uitwerking 9b:

Een stijgende grafiek kan ook stijgen naar een asymptoot, zoals de figuur in de onderstaande afbeelding.

Om zeker te weten dat de grafiek de x-as snijdt, hebben we op f dus zowel een punt onder de x-as als boven de x-as nodig. Dat tweede ontbreekt in het boek.