Contextsommen

Het uiteinde van een wip

We bekijken in deze opgave een wiskundig model voor de beweging van het uiteinde van een wip.

Lijnstuk PQ met midden M en lengte 4 draait om M. De hoogte van M is 1. Zie figuur 1. We kijken naar het verloop van de hoogte h van P. Op tijdstip t=0 is de hoogte van P gelijk aan 0. Van t=0 tot t=2 beweegt P omhoog. In figuur 1 is het lijnstuk getekend op drie tijdstippen: op t=0, op t=\frac{4}{3} en op t=2.

De hoogte van P tijdens de omhooggaande beweging wordt beschreven door het volgende model:

  • fase 1: h_1(t)=1+2\sin(\frac{3\pi}{10}t^2-\frac{\pi}{6})\quad\quad \text{ voor } 0\leq t\leq \frac{1}{3}
  • fase 2: h_2(t)=1+2\sin(\frac{\pi}{5}t-\frac{\pi}{t})\quad\quad \text{ voor } \frac{1}{3}<t\leq\frac{5}{3}
  • fase 3: h_3(t)=1+2\sin(\frac{-3\pi}{10}t^2+\frac{6\pi}{5}t-\frac{31\pi}{30})\quad \text{ voor } \frac{5}{3}<t\leq 2

Hierin zijn h_1, h_2 en h_3 de hoogtes van P in de verschillende fasen.

In figuur 2 is de grafiek van de hoogte van P in de fasen 1, 2 en 3 getekend.

De hoogte van P aan het eind van fase 2 is h_2(\frac{5}{3}). Door t=\frac{5}{3} in te vullen in de formule van h_3 kan worden bewezen dat de hoogte van P aan het begin van fase 3 gelijk is aan de hoogte van P aan het eind van fase 2.

Opdracht 3: (3 punten)
Bewijs dat deze hoogtes gelijk zijn.

Aanpak:

Uit de tekst boven de opdracht halen we dat de hoogte aan het eind van fase 2 gelijk is aan h_2(\frac{5}{3}) en dat de hoogte aan het begin van fase 3 gelijk is aan h_3(\frac{5}{3}). We moeten deze waarden dus berekenen en herschrijven totdat ze gelijk aan elkaar zijn.

De voornaamste uitdaging hierbij is dat dit exact moet. Als je iets als \frac{-3\pi}{10}(\frac{5}{3})^2+\frac{6\pi}{5}\cdot\frac{5}{3}-\frac{31\pi}{30} in je GR invult, krijg je een benaderd getal (wat dus niet mag). Een goede truc is dan om iedere term zonder de \pi in te voeren. Dat geeft \frac{-3}{10}(\frac{5}{3})^2+\frac{6}{5}\cdot\frac{5}{3}-\frac{31}{30}. Dit rekent je GR wel voor je uit en die geeft als antwoord \frac{2}{15}. De uitdrukking waarbij in iedere term nog keer \pi staat, moet dan ook keer \pi. Daaruit halen we dat \frac{-3\pi}{10}(\frac{5}{3})^2+\frac{6\pi}{5}\cdot\frac{5}{3}-\frac{31\pi}{30}=\frac{2}{15}\pi.

Als je dit bij h_2(\frac{5}{3}) en h_3(\frac{5}{3}) goed doet, zou er bij allebei hetzelfde uit moeten komen.

Uitwerking:
  • h_2(\frac{5}{3})=1+2\sin(\frac{\pi}{5}\cdot\frac{5}{3}-\frac{\pi}{5})
    h_2(\frac{5}{3})=1+2\sin(\frac{2}{15}\pi)
  • h_3(\frac{5}{3})=1+2\sin(\frac{-3\pi}{10}(\frac{5}{3})^2+\frac{6\pi}{5}\cdot\frac{5}{3}-\frac{31\pi}{30})
  • h_3(\frac{5}{3})=1+2\sin(\frac{2}{15}\pi)
    Er geldt dus dat h_2(\frac{5}{3})=h_3(\frac{5}{3}).
    Conclusies: De hoogte aan het begin van fase 3 is gelijk aan de hoogte aan het eind van fase 2.

De helling van de grafiek van h_2 aan het begin van fase 2 is \frac{2\pi}{5}\cos(\frac{2\pi}{15}).

Opdracht 4: (4 punten)
Bewijs dat de helling van de grafiek van h_1 aan het eind van fase 1 hieraan gelijk is.

Aanpak:

De vraag is eigenlijk om te bewijzen dat de helling van h_1 op het eind van fase 1 (dat is bij t=\frac{1}{3}) gelijk is aan \frac{2\pi}{5}\cos(\frac{2\pi}{15}). Deze helling krijgen we door h_1'(\frac{1}{3}) te berekenen. We moeten hierbij dus het volgende doen:

  • Het berekenen van de afgeleide van h_1'(t)
  • Het berekenen van h_1'(\frac{1}{3})
  • De uitdrukking van h_1'(\frac{1}{3}) herleiden totdat er h_1'(\frac{1}{3}) uitkomt.

Bij de derde stap heb je op het einde nog de rekenregel \cos(A)=\cos(-A) nodig. Zorg bij dit omschrijven dat je niet te veel stappen tegelijk zet. Aangezien het eindantwoord \frac{2\pi}{5}\cos(\frac{2\pi}{15}) gegeven is, moet het voor de nakijker echt duidelijk zijn dat je begrijpt hoe je daar komt (en dat je niet zomaar het eindantwoord overschrijft).

Uitwerking:
  • h_1'(t)=2\cos(\frac{3\pi}{10}t^2-\frac{\pi}{6})\cdot \frac{3\pi}{5}t
  • h_1'(\frac{1}{3})=2\cos(\frac{3\pi}{10}(\frac{1}{3})^2-\frac{\pi}{6})\cdot \frac{3\pi}{5}\cdot \frac{1}{3}
  • h_1'(\frac{1}{3})=2\cos(\frac{\pi}{30}-\frac{\pi}{6})\cdot \frac{1}{5}\pi
    h_1'(\frac{1}{3})=\frac{2\pi}{5}\cos(-\frac{2\pi}{15})
  • Met de rekenregel \cos(A)=\cos(-A) krijgen we h_1'(\frac{1}{3})=\frac{2\pi}{5}\cos(\frac{2\pi}{15}) zoals gevraagd.

Voor elke waarde van a, met 0<a<\frac{2}{3}, geldt:

\frac{h_2(1-a)+h_2(1+a)}{2}=1

Opdracht 5: (4 punten)
Bewijs deze gelijkheid.

Aanpak:

Een standaardmanier hoe je dit soort vragen altijd mag oplossen, is om h_2(1-a) en h_2(1+a) te substitueren in \frac{h_2(1-a)+h_2(1+a)}{2}=1 en die dan op te gaan lossen als een vergelijking. Als hier uiteindelijk een vergelijking uitkomt die duidelijk altijd waar is (zoals 0=0), mag je concluderen dat de oorspronkelijke vergelijking voor iedere waarde van a waar is.

Na het invullen moet je de vergelijking stap voor stap versimpelen en heb je verder nog de rekenregel \sin(-A)=-\sin(A) nodig. Zorg dat je dit soort rekenregels uit je hoofd kent. Als je die niet kent, kun je eventueel nog met het formuleblad de regel afleiden door de rekenregel voor \sin(t-u) te gebruiken en voor t nul in te vullen. Je krijgt dan \sin(-u)=\sin(0-u)=\sin(0)\cos(u)-\cos(0)\sin(u)=-\sin(u).

Uitwerking met oplossen vergelijking:
  • \frac{h_2(1-a)+h_2(1+a)}{2}=1 geeft
    h_2(1-a)+h_2(1+a)=2
    1+2\sin(\frac{\pi}{5}(1-a)-\frac{\pi}{5})+1+2\sin(\frac{\pi}{5}(1+a)-\frac{\pi}{5})=2
    2\sin(-\frac{\pi}{5}\cdot a)+2\sin(\frac{\pi}{5}\cdot a)=0
  • Met de rekenregel \sin(-A)=-\sin(A) wordt dit:
    -2\sin(\frac{\pi}{5}\cdot a)+2\sin(\frac{\pi}{5}\cdot a)=0
  • 0=0
    Aangezien deze vergelijking voor iedere a waar is, geldt de vergelijking \frac{h_2(1-a)+h_2(1+a)}{2}=1.

Uitwerking met argument puntsymmetrie:
  • De gelijkheid die we moeten aantonen komt overeen met dat h_2 puntsymmetrisch is ten opzichte van (1,1).
  • Een sinusoïde is puntsymmetrisch in elk punt dat op de evenwichtsstand ligt.
  • De evenwichtsstand van h_2 is y=1.
  • h_2(1)=1+2\sin(0)=1, dus de grafiek van h_2 is puntsymmetrisch ten opzichte van (1,1).
    Conclusie: De vergelijking \frac{h_2(1-a)+h_2(1+a)}{2}=1 geldt.